OVER BOMMEN GESPROKEN…

We moesten hierover persoonlijk in gesprek gaan. De volgende morgen – vrijdag – belde Wim naar het Thomashuis en vertelde dat we wilden komen praten. Dit gesprek vond later op de morgen plaats en week qua inhoud niet af van het telefoongesprek van de vorige avond.

Ze zeiden: ‘We vinden het zo sneu voor René, hij is zo gespannen, is er geen pilletje om René rustiger te maken?’ Ik vond het te dom voor woorden en reageerde er niet op.  In het verleden had René op verandering van medicatie vooral negatief gereageerd. Daar had ik in mijn boek uitvoerig over geschreven. 

Wim vroeg: ‘Beseffen jullie wel dat jullie een bom bij ons naar binnen hebben gegooid?’ We waren verbaasd en zwaar teleurgesteld dat, hoewel ze zo duidelijk voor René gekozen hadden, zij hem nu als een baksteen lieten vallen. We waren in shock.

Hoe zo, we gaan er voor…

Hoe zo, we vinden het interessant…

Hoe zo, we gaan ons stinkende best doen…

Hoe zo, we vinden het een uitdaging…

Hoe zo, we doen er alles aan om voor René een warm thuis te zijn…

Hoe zo, we staan garant voor een professionele dienstverlening…

Hoe zo, we hebben ruime ervaring in het werken met mensen met een verstandelijke beperking…

Dit waren allemaal kreten uit het ‘verkooppraatje’. Dus nu gaven ze het na één week al op? Hun enthousiasme leek ineens opgeblazen en nu liep die ballon wel heel snel leeg.

de ballon van het opgeblazen enthousiasme...

de ballon van het opgeblazen enthousiasme…

In het Pergamijns verleden waren wij gewend en vertrouwden we erop, dat als er problemen waren er naar een oplossing gezocht werd. Om na slechts een week, waarin René heel wat te verwerken had gehad, al de handdoek in de ring te gooien… Na alle inspanningen en voorbereidingen van het afgelopen jaar plus de kosten die er mee gepaard waren gegaan vonden we dit wel heel kort door de bocht gaan.

Het liefst hadden de ZORG ondernemers René direct op straat gezet, dat was ons gevoel, maar we probeerden te redden wat er te redden viel en brachten naar voren dat René wel iets meer tijd dan een week nodig had om te wennen. Ook medebewoners moesten wennen, aan elkaar en aan René. Ons voorstel was om de hulp in te roepen van de dame die zo hard geroepen dat René een geschikte kandidaat was voor het Thomashuis.

Ze stemden hiermee in. Het is niet verwonderlijk dat onze gevoelens ten opzichte van het echtpaar aanzienlijk bekoelden. Het kostte grote moeite om op een beschaafde manier een eind aan het gesprek te maken. Met de staart tussen de benen dropen we af naar huis.

Het is nauwelijks te verwerken als je kind wordt uitgekotst als koude pap.

Op zaterdagavond haalden we René na het avondeten weer op. Ik sprak met de zus van een nieuwe, op die dag binnenkomende bewoner en vroeg terloops of zij de geluiden die ze René hoorde maken storend vond. Ook haar broer kende momenten waarop hij geluiden maakte, dus ze was er wel aan gewend, kreeg ik als antwoord. Het stelde mij enigszins gerust over de eventuele reacties van andere ouders of familieleden, hoewel dit het enige familielid was waarmee we in deze tijd in gesprek zijn geweest.

Haar broer was maar een week verblijf in het Thomashuis vergund. Na een incident werd de familie verzocht om hem weer op te halen en moest deze man naar een noodopvang gebracht worden.

Later heb ik gehoord dat deze familie een klacht heeft ingediend en voor een commissie is verschenen. Heel wrang hoorde ik toen ook dat deze zelfde zaterdag de zorgondernemers tegenover haar hadden verwoord dat René niet kon blijven in het Thomashuis omdat het volgens hen toch te veel onrust zou geven.

Heel ongepast dat zij zich daarover één dag na ons gesprek zo hebben geuit tegenover iemand die het niet aanging, een waar staaltje van schijnheiligheid en onzorgvuldigheid.

 Wordt vervolgd.